Scouts & Gidsen Noordland Bredene

Kaart
Terug naar de inhoudstafel

  • Een kaart is een stuk(je) van de wereld afgebeeld op papier en op een welbepaalde manier voorgesteld. Kleuren vertellen ons of we ons in een weiland of in een moeras bevinden, hoogtelijnen laten zien waar het vlakke land is en waar de golvende heuvels en de veelheid aan wegen, steden en fabrieken tonen de invloed van de mens.

  • Als je niet exact weet waar je bent, kan een vergelijking van de wereld om je heen met de kaart je veel leren. En wie heeft nog nooit via een alledaagse wegenkaart de weg gevonden naar dat prachtige dorp. Probeer maar eens een kaart te maken. Dat is een leerrijke en dolkomische activiteit voor alle takken!

  • De topografische kaart

    • De topografische kaart, alias de stafkaart, is een veel gebruikt instrument in scouts- en gidsenmiddens.

    • Toch zwalpt menig jongverkenner nog door de bossen met de kaart ondersteboven in zijn handen.

    • Een beetje basiskennis is wellicht niet onbruikbaar.

    • O ja, om te starten, even dit: "Stafkaart" is een oude militaire naam.

    • Topografische kaart is de juiste naam voor het beestje.

  • Hoe ziet een topografische kaart eruit ?

      Topografische kaart

    • Kaartnummer en -naam (a)

      Het nummer bestaat uit één groot en één of twee kleine cijfers. Het grote cijfer verwijst naar het kaartblad, de twee kleine cijfers naar de onderverdeling. Handig om omliggende kaarten te bepalen (schema).

    • Jaar van uitgifte (b) en herzieningsjaar (c)

      In de rechterbovenhoek vind je het jaar van uitgifte; hou er rekening mee dat de gegevens op publicatiedatum enkele jaar oud kunnen zijn. Kijk ook naar het herzieningsjaar, links onder (c). Dit is het jaar dat de gegevens nog eens nagekeken werden. Is het exemplaar van de kaart de laatste tien jaren herzien, dan is dit waarschijnlijk het meest recente.

    • Kaartschaal (d) en (e)

      Rechtsboven en onderaan in het midden vind je de schaalaanduiding (d). In het midden onderaan vind je ook een grafische schaal (e). Met een meetlatje kan je hier de afstanden uitrekenen.

    • Kaartlegende

      Onderaan de kaart vind je de legende: links de benaming van de verschillende symbolen (f), rechts de gebruikte afkortingen.

    • Het UTM-vierkantnet (i)

      Op de kaarten die de laatste jaren werden herdrukt, wordt het UTM-vierkantnet aangegeven door volle paarse lijnen. Deze lijnen vormen vierkanten van 4 op 4 cm (wat bij een schaal van 1:25000 overeenkomt met 1 op 1 km). Deze vierkantjes zijn genummerd en handig voor het bepalen van coördinaten.

    • Lambertcoördinaten (h)

      Indien op je kaart niet het UTM-vierkantnet gedrukt is, kan je zelf de Lambertcoördinaten gebruiken. Deze zijn niet getekend; je moet zelf de korte aanzetstreepjes (om de 4 cm) aan de rand van de kaart met elkaar verbinden, zodat je een net van vierkanten van 1 km op 1 km verkrijgt.

    • Declinatie (j)

      Aan de rechterbovenzijde van de kaartrand vind je de declinatie ofte de afwijking tussen het magnetische noorden, waarnaar je kompas wijst, en het aardrijkskundige noorden. Let op: je moet de zwarte declinatie gebruiken als je je kaart naar het noorden oriënteert met je kompas langs de Lambertlijnen. Je moet de paarse declinatie gebruiken als je je kaart naar het noorden oriënteert met je kompas langs het paarse vierkantennet.

    • Hoogtelijneninterval (k)

      Onder de metrische schaal vind je het hoogtelijneninterval. Dat is het hoogteverschil tussen twee opeenvolgende hoogtelijnen waaruit je dus kan afleiden hoe sterk de weg stijgt die je wil volgen.

  • Opplooien

    • Kaart opplooien
  • Kaartlezen

    • Kartografie

      • Dit is de wetenschap die zich bezighoudt met het ontwerpen van kaarten.

      • Een kaart is een weergave van het terrein met al zijn natuurlijke en kunstmatige elementen op een verkleinde schaal en in een horizontaal vlak.

    • Kaartkeuze

    • Om een verantwoorde keuze mogelijk te maken vestigen we even de aandacht op de verschillende soorten kaarten die bestaan.

      • een wegenkaart b.v. Michelin, Shell

      • een toeristische kaart b.v. V.T.B., V.V.V.

      • een geografische kaart: een kaart met een schaal kleiner dan 1/200.000 b.v. in een atlas

      • een topografische kaart: geeft een nauwkeurige en een zo volledig mogelijke voorstelling van het terrein b.v. een stafkaart De keuze van een kaart wordt bepaald door haar bruikbaarheid. Voor wandelingen is een stafkaart b.v. onontbeerlijk.

    • De schaal van een kaart

      • De schaal geeft een verhouding aan tussen de afstanden op de kaart en die in werkelijkheid. b.v. 1/250.000; 1/25.000 (makkelijkst); 1/10.000

      • Hoe kleiner de noemer van de breuk, hoe nauwkeuriger de kaart. Om een globaal overzicht van een land of streek te krijgen is een kleine schaal nodig, voor nauwkeurige details heeft men nood aan een grote schaal.

    • Het reliëf

      • Hoogtelijnen zijn denkbeeldige lijnen die punten op een terrein met elkaar verbinden die op gelijke hoogte liggen. Het getal dat zich bij deze (bruine) lijnen bevindt, bepaalt hun hoogte ten opzichte van de gemiddelde zeespiegel.

      • Het gelijkhoogteverschil is het hoogteverschil tussen 2 opeenvolgende hoogtelijnen. Dit verschilt volgens de streek welke de kaart weergeeft b.v. in Vlaanderen: 1 m; in de Ardennen: 5 m; Oostenrijk: 100 m

      • De helling is de verhouding tussen het hoogteverschil van 2 punten en hun horizontale afstand.

      • Conventioneel neemt men aan dat de helling van het terrein regelmatig is tussen 2 opeenvolgende hoogtelijnen.

      • Wanneer de afstand tussen de hoogtelijnen constant is, is de helling uniform, dat wil zeggen dat men gelijkmatig stijgt of daalt.

      • Hoe kleiner de afstand tussen 2 hoogtelijnen, hoe sterker de helling en omgekeerd.

      • Hoogtelijnen dicht bij elkaar: sterke helling.

      • Hoogtelijnen ver uiteen: zachte helling.

      • De weg met de grootste helling is die weg, die loodrecht loopt op de hoogtelijnen. Het is tevens de moeilijkste weg.

    • De legende van een Belgische stafkaart

    • Een combinatie van kleuren en conventionele tekens noemen we de legende van een kaart, waardoor alles een betekenis krijgt. Op elke kaart vind je de gebruikte tekens met hun verklaringen.

    • Laat ons enkele hoofdzaken samenvatten.

      • BLAUW: hydrografie (alles wat in verband staat met water)

        • volle lijn: stroom, rivier, beek, gracht
        • stippellijn: onderbroken waterloop
        • puntjeslijn: niet bestendig met water gevulde gracht
        • volle lijn met pijltjes erop: zichtbare waterleiding
        • gegroepeerde streepjes: moeras, veen
        • puntje: bron, fontein, put
        • cirkeltje: watertoren
      • ROOD: berijdbare banen

        • volle lijn: autoweg, baan voor groot of klein verkeer
        • onderbroken lijn: smalle of slecht onderhouden weg
      • GROEN: bossen en beplantingen

        • groene vlekken met zwarte sterren: naaldbomen
        • grote cirkels: hoogstammige loofbomen
        • kleine cirkels: boomgaard
        • dunne puntjes: kreupelhout
        • bolletjes: boomkwekerij
      • BRUIN: hoogten en hoogtelijnen

        • dikke lijn: hoofdhoogtelijn (5 m hoogteverschil)
        • dunne lijn: hoogtelijn (1 m hoogteverschil)
        • lijn met verticale streepjes: steile helling
        • afzoming in streepjes: duin, zandrug
        • puntjes: zanderig terrein
        • cijfers: hoogtecijfers
      • ZWART: aanduidend

        • wegen, spoorwegen, gebouwen, merkpunten, grenzen, bruggen, terreinen,...
        • bepaalde afkortingen
        • plaatsnamen