Deze sjorring dient om twee palen aan elkaar te sjorren die ongeveer een rechte hoek vormen.
Werkwijze:
De kruissjorring begin je met een timmermanssteek op de vaste paal. Het oog van de timmermanssteek bevindt zich dan aan de rechterkant. Je vertrekt met je touw recht uit het oog.
Je slaat het touw drie keer om de palen heen, zoals in de tekening is aangegeven. Elke winding leg je netjes naast de vorige en trek je stevig aan. Men werkt steeds 'binnen-buiten'.
Bij de losse paal worden de slagen naar binnen toe gelegd, en bij de vaste paal naar buiten toe (geheugensteuntje: lobi = losse balk binnen).
Daarna ga je woelen. Je slaat het touw tussen de palen door om de winding heen. Elke woeling trek je weer strak aan. De drie woelingen leg je naast elkaar. Je werkt van de vaste paal naar de losse paal toe.
Tot slot werk je de sjorring af met een mastworp, gevormd door twee halve steken op de losse paal, en dit vlak na het woelen.
Als de mastworp veiliger op een andere plaats ligt dan deze plaats is het noodzakelijk dat je van deze standaardplaats afwijkt!